Week van de GGZ – Vaak gestelde vragen aan onze voorzitter

  1. Hoelang doe je dit werk al?
    In 2000 ben ik als vrijwilliger achter de schermen begonnen met het begeleiden van het online forum van ANBN. Sinds 2007 ben ik er aan de slag als psycholoog.
  1. Waarom heb je ervoor gekozen om deze patiënten te helpen?
    Omdat ik zelf ervaringsdeskundige ben en weet wat de kracht van lotgenoten kan betekenen. Toen ik zelf heel erg aan het worstelen was tegen de eetstoornis en mezelf moeilijk toestemming kon geven om hulp te zoeken en te vertrouwen op die hulp, zijn het lotgenoten geweest die me hebben geholpen om de belangrijke stappen toch te zetten.
    Ik weet uit eigen ervaring wat het kan betekenen om iemand tegenover je te hebben die kan tonen of voorleven dat het leven met en voorbij (zonder) een eetstoornis echt mogelijk is. En verder zijn mensen met eetstoornissen gewoon heel gevoelige, mooie mensen. Alleen zien ze dat zelf vaak helemaal niet. En dan is het prachtig om te zien hoe mensen openbloeien en zichzelf ontdekken. Omdat eetstoornissen in zoveel varianten bestaan en elk verhaal anders is en tegelijk ook wel herkenbare elementen hebben, is dit werk ook nooit saai. Soms een serieuze uitdaging, dat wel, maar zeker nooit saai!

  2. Staan de patiënten positief of negatief tegenover de hulp?
    Wij spreken zelf eigenlijk nooit over “patiënten”, omdat dat mensen zijn die een ziekte hebben en die daarvoor behandeld worden in een medische of psychiatrische context. Bij ANBN, de vzw waar ik werk, gaan we ervan uit dat we in de eerste plaats werken met mensen, die daarnaast ook een eetstoornis hebben. Dus wij spreken eerder over bezoekers, of over personen met een eetstoornis.

    De meeste mensen met een eetstoornis hebben het moeilijk met het idee dat er plots op heel korte tijd veel dingen zouden moeten veranderen. Bij ons moet dat helemaal niet. Als mensen contact met ons opnemen, dan doen ze dat uit eigen beweging, of omdat iemand uit hun omgeving hen daarvoor heeft aangemoedigd.
    Mensen voelen in het contact met ons al snel aan dat er heel wat mag, dat we open staan, dat we ook eigen ervaringen willen delen en samen met iemand willen meedenken, maar dat er van ons op zich helemaal niets moet. Dat maakt ook dat mensen veel dichter kunnen komen tot waar zij zélf moeite mee hebben en wat zij daar zélf mee willen doen. Wij dringen niets op, we creëren een ruimte waarin mensen rustig kunnen aftasten en zoeken.

    Natuurlijk komt het soms ook wel voor dat vb. jongeren samen met hun ouders op gesprek komen in het Inloophuis. Je merkt dan dat er verschillende snelheden zijn, dat ouders vaak heel snel willen gaan en dat de jongere zelf op de rem gaat staan. Ik heb niet de ervaring dat mensen “tegen” onze hulp zijn, wel dat ze reserves hebben, dat ze onzeker en angstig zijn. Wat wij vooral proberen te doen is om die angst, onrust en onzekerheid weg te nemen, of er samen met hen naar te zoeken wat kan helpen om toch hele kleine stapjes te zetten zonder vast te lopen in een paniekreactie.

    Daarnaast merken we natuurlijk ook wel dat mensen vaak reserves voelen tegen het idee dat ze best contact opnemen met vb. een diëtist of een psycholoog, of dat ze kunnen overwegen om in opname te gaan. Wat wij dan doen is mensen goed informeren, uitleg geven om een aantal misvattingen recht te zetten (vb. je hoeft in therapie niet van in het eerste gesprek al je “geheimen” op tafel te leggen). Als mensen goed geïnformeerd zijn, als ze hebben kunnen vragen “hoe was dat dan voor jou?” en ze hebben ervaringen kunnen horen van mensen die al wat stappen verder staan, dan geeft dat rust en het creëert hoop: als die andere dat heeft gekund, dan kan ik het misschien ook…
  1. Wat is jouw visie op deze ziekte?
    Deze vraag vind ik heel lastig om te beantwoorden, want er is heel veel over te zeggen.
    Een eetstoornis gaat eigenlijk niet over eten. Wat er onderliggend ligt te woelen uit zich wel in een verstoord eetpatroon, maar eigenlijk is dat niet de kern van de problematiek. Wat die kern dan wél is, dat is voor iedereen een beetje anders.

    Vaak heeft het te maken met grenzen (teveel afgrenzen of te weinig), met vertrouwen, met zelfvertrouwen, met heel gevoelig zijn en moeilijker om kunnen met wat er rond je gebeurt, met een plaats in het leven durven innemen (of juist geen ruimte durven innemen), met angsten of andere gevoelens waar je moeilijk mee kan omgaan die je dan probeert te dempen door te hongeren of door eetbuien te houden, enz.
    Het is in ieder geval zo dat mensen met een eetstoornis genetisch een bepaalde gevoeligheid (aanleg) hebben voor het ontwikkelen van een eetstoornis en dat die gevoeligheid maar tot uiting komt als je geboren wordt en opgroeit in bepaalde omstandigheden. We weten dat eetstoornissen veroorzaakt worden door een complexe interactie van factoren. We weten nog niet (en zullen misschien ook nooit weten) hoe die interactie er precies uit ziet. Wellicht is dat ook iets dat voor iedere persoon verschillend is.

    Ik ga ervan uit dat je kan herstellen van een eetstoornis, maar ook dat herstel voor iedereen iets anders kan betekenen. Ikzelf ben bv. vrij van dwangmatige gedachten rond eten of gewicht en ik kan eten op gevoel: heb ik honger, dan eet ik waar ik zin in of nood aan heb. Andere mensen hebben misschien toch nog wel eetstoornis-gedachten, maar omdat ze de patronen herkennen kunnen ze kiezen voor de gezonde optie. Voor nog andere mensen kan het zinvol zijn om vast te blijven houden aan een bepaalde regelmaat qua maaltijden.
  1. Op welke manier zet je mensen met een eetstoornis aan tot verandering?
    Door te luisteren naar wat mensen zelf willen, wat hun dromen en hoop zijn, waar ze naar verlangen en wat er in de weg zit om dat te bereiken. En ook door over onszelf te vertellen, om te vertellen over wat ons geholpen heeft, welke stappen we daarvoor hebben gezet en dan kijken of er iets is dat voor hen zou kunnen werken. Door te informeren over keuzemogelijkheden (therapie of opname, diëtist of psycholoog, huisarts of psychiater, het thuis vertellen of niet,…) en mensen dan te helpen om stappen voor te bereiden.

    Stel dat iemand aan een goede vriendin zou willen vertellen dat ze een eetstoornis heeft, dan kunnen we samen nadenken over hoe die persoon de boodschap zou willen brengen. Wat zeg je wel en wat niet? Op welk moment spreek je die vriendin aan? Doe je het in een gesprek, of via een mail of Facebook, of telefoon?

    Of om het wat theoretischer te kaderen: wij werken volgens motiverende gespreksvoering (Ryan & Deci), volgens de motivatiecyclus van Prochaska en Diclemente (je moet geen overvloed aan informatie geven aan mensen die nog niet eens vinden dat er een probleem is, dus je moet je “interventies” aanpassen aan de fase van motivatie waarin iemand zit) en we zetten sterk in op de drie fundamentele basisbehoeften volgens de zelfdeterminatietheorie. Als we mensen willen motiveren tot verandering, moeten we zorgen voor:
  • autonomie (mensen keuzevrijheid geven, hen de kans geven om zelf te beslissen),
  • verbondenheid (in gesprek gaan van mens tot mens) en
  • competentie (mensen laten ervaren dat ze kunnen veranderen, dat ze ondanks de angst en de kritische stem in hun hoofd toch ook kunnen zorgdragen voor zichzelf).
  1. Vind je dat eetstoornissen een probleem zijn van de 21 ste eeuw, waarom?
    Eetstoornissen bestonden ook al in de middeleeuwen en ver daarvoor, alleen was de uitingsvorm of de inhoud wat anders (denk vb. aan vastenheiligen of mensen die in het circus werden ‘tentoongesteld’ omwille van hun magerte of juist zwaarte). In die zin is het een probleem van alle tijden. Maar door de snelheid waarmee we leven en de grote druk die er op mensen komt te liggen, is het wel begrijpelijk dat mensen zichzelf vaker verliezen. Dat ze niet meer weten wie ze zijn, wat zij willen en dan zoeken naar een manier om met de druk van het leven om te gaan. Voor sommige mensen uit zich dat in een eetstoornis, voor andere mensen in een heel andere soort problematiek (vb. alcohol, drugs, zelfverwondend gedrag,…).
  1. Praten sociale media jongeren een eetstoornis aan, volgens jou?
    Als je geen aanleg hebt om een eetstoornis te ontwikkelen, dan mag de hele wereld bij wijze van spreken nog tegen je staan te roepen, dan krijg je nog geen eetstoornis. Maar, voor jongeren die gevoelig zijn (die aanleg hebben, of een bepaalde persoonlijkheid die hen vatbaarder maakt) kunnen bepaalde boodschappen wel de druppel zijn… Het is dan alsof de gevoeligheid die er al is wakker gemaakt wordt, dat de eetstoornis die anders gewoon onderdrukt zou blijven en nooit tot uiting zou komen door bepaalde boodschappen “uitgelokt” kan worden. Maar die boodschappen kunnen net zo goed van een vriend of vriendin komen, of van een voorbijganger op straat. In die zin zijn sociale media gewoon een “nieuwe” manier waarop boodschappen overgemaakt worden, maar zeker niet de enige oorzaak van eetstoornissen.

  2. Wat kan daaraan gedaan worden?
    Jongeren laten praten over vb. kwetsende ervaringen op sociale media, zodat ze van elkaar kunnen leren en ook kunnen leren om er wat objectiever naar te kijken. Of jongeren leren dat wat ze zien op internet vaak weinig realistisch is en dus ook niet een ideaal om na te streven. In onderwijstermen gaat het dan over het aanleren van ‘mediawijsheid’. We weten trouwens dat het preventief werkt als we jongeren weerbaar maken, om hen te leren kijken naar wie ze zijn en waar ze goed in zijn. Dus in plaats van te focussen op problemen, vooral ook inzetten op sterktes, het aanleren van bepaalde vaardigheden (vb. coping) en het leren kritisch kijken naar mediaboodschappen.

  3. Heb je al mensen weten sterven aan een eetstoornis?
    Niet in de zin dat ik ernaast stond en het ter plaatste meemaakte, gelukkig…
    Maar ja, ik ken intussen een twintigtal mensen die overleden zijn door de gevolgen van een eetstoornis of door zelfdoding.
    Dat is altijd hard. Je wil blijven hopen en vechten, je blijft zoeken naar vonkjes die mensen energie kunnen geven om toch te kiezen voor herstel. Maar soms is de eetstoornis te groot en te sterk, en soms is het lichaam zo op of de geest zo gebroken, dat het niet meer lukt.
    Het is een harde realiteit, waar we met z’n allen mee moeten omgaan. Het daagt ons allemaal ook uit om te blijven zoeken naar manieren om de behandeling en zorg bij eetstoornissen nog beter te organiseren.

  4. Welke reacties heb je al meegemaakt van ouders?
    Daarover heb ik een boek geschreven: “Help, mijn kind heeft een eetstoornis”.
    Daarin staan een heleboel voorbeelden van verhalen van ouders, van de gevoelens, zorgen en vragen waar zij mee te maken hebben.
    Voor ouders is de emotionele belasting door het hebben van een kind met een eetstoornis even zwaar als voor ouders van een kind met kanker. De machteloosheid, de angst dat je kind zal sterven, de hoop dat een behandeling aanslaat,…
    En bij eetstoornissen zijn de behandelingen dan in verhouding nog minder effectief dan bij kanker, dus dat is nog een extra moeilijkheid.

  5. Wat is jouw doel wanneer je met een persoon met een eetstoornis spreekt?
    Het belangrijkste doel is om een ontmoeting te hebben van mens tot mens. En om supporter te mogen zijn bij een proces dat mensen vooral ook zelf, op eigen tempo, moeten zien te maken. Want herstellen doe je uiteindelijk zelf, maar liever niet alleen.
  1. Wat geeft je voldoening om deze baan verder te zetten?
    Als mensen na een gesprek van soms maar een uur naar huis gaan en zeggen dat ze terug hoop hebben. Dat ze weer moed hebben om iets aan te durven, om een stap te zetten, om met zichzelf aan de slag te gaan. Of als mensen zeggen dat ze zichzelf een beetje beter hebben leren kennen, of beter inzicht hebben gekregen in de eetstoornis van hun kind, partner, collega, of vriend(in). Soms zijn het maar kleine dingen die het verschil maken. En daarnaast zie ik ook hoe mensen groeien, vooral in het werken met vrijwilligers. Het is zo mooi om te zien hoe zij kansen grijpen. Hoe zij nieuwe dingen uitproberen die ze misschien eng vinden of al lang niet meer (of nog nooit) deden. En hoe dat dan weer een boost kan zijn voor je zelfvertrouwen. Daar geniet ik eigenlijk wel van, om als supporter dan aan de zijlijn te mogen staan glunderen.


    In gesprek met Els Verheyen, voorzitter ANBN