Herstel

Herstellen van een eetstoornis gaat niet vanzelf, en komt niet van de ene op de andere dag. Herstel is iets wat geleidelijk gebeurt, stap voor stap. Het is een langdurig proces dat gepaard gaat met vallen en opstaan.

Over het begrip ‘herstel’ in de GGZ is de afgelopen jaren veel geschreven. Het wordt beschreven als een uniek en persoonlijk proces waarin hoop en betekenis (her)vinden in het leven, stigma overwinnen, opnieuw controle krijgen over het leven en empowerment belangrijke elementen zijn. Herstel kan dus voor iedereen persoonlijk worden ingevuld en staat daarom niet gelijk aan ‘genezen’. Meer info hierover kan je onder andere hier vinden.

Specifiek bij eetstoornissen worden er een aantal algemeen aanvaarde tekenen genoemd die op herstel kunnen wijzen. We kunnen een onderscheid maken tussen fysieke tekenen en psychologische en sociale tekenen van herstel. 

Fysieke tekenen

Een normaal metabolisme-niveau (een niveau zoals dit voor de persoon genetisch is bepaald).
Honger kunnen (h)erkennen en er adequaat op kunnen reageren.
De vochthuishouding die hersteld is en in evenwicht.
Het gewicht is terug op een gezond niveau.
Voor (jonge) vrouwen: menstrueren.
De huid, tanden, warmteregeling, haargroei en spijsvertering zijn terug normaal.
De samenstelling van het lichaam (vetgehalte) is hersteld en stabiel.
De voedselopname is adequaat om een gezond gewicht en lichaamssamenstelling te behouden.
Gedrag om ingenomen voedsel kwijt te raken (compenseren), komt niet meer voor.

Psychologische en sociale tekenen

Weer verschillende soorten voedsel kunnen eten, met een evenwichtige samenstelling aan voedingsstoffen.
Kunnen omgaan met natuurlijke schommelingen in gewicht.
Weer spontaan kunnen eten, vb. in een sociale context.
Kunnen omgaan met reacties van anderen over gewichtsveranderingen, zonder dit als negatief te ervaren.
De te realiseren gewichtstoename blijft aangehouden, ook als men denkt weer ‘goed’ te eten.
De hoeveelheid tijd die wordt besteed aan denken over eten, gewicht en lichaamsvorm, is terug op een normaal niveau.
Kunnen omgaan met dagelijkse moeilijkheden en tegenslagen zonder te hervallen in gestoord eetgedrag.
Kunnen werken aan de onderliggende factoren van de eetstoornis, zonder te hervallen in gestoord eetgedrag.
Signalen van een terugval kunnen herkennen, er zelf op een goede manier mee om kunnen gaan of tijdig hulp zoeken.
Mensen uit de naaste omgeving maken zich geen zorgen meer over het eetgedrag en gewicht.
De familie kan normaal pubergedrag herkennen en ermee omgaan.
De familie heeft gezonde eetgewoonten ontwikkeld of deze aangehouden (vb. regelmatige familiemaaltijden).

(Gebaseerd op deze bron)