Person

"Mijn story of hope
Over heel diep zitten, maar toch beter worden"

De geboorte van een complex

Als kind groeide ik te snel: mijn puberteit deed zijn intrede veel te vroeg. Zelf had ik hier vreemd genoeg geen last van, ik lette niet op de verschillen tussen mijn eigen, veel te vroeg vrouw wordende lichaam, en de kinderlijke lichamen van mijn vriendinnen. Wie hier wel extreem de nadruk op legde, was mijn mama. Opmerkingen als “je hebt echt de dikste benen van de groep” en “is die broek nu weeral te klein geworden?” waren me verre van vreemd. Dit wreekte zich natuurlijk op mijn lichaamsbeeld. Ik was van nature al een heel onzeker en verlegen meisje, zeker als kind. Ik voelde me nooit cool genoeg, nooit populair genoeg. Ik wou oh zo graag conformeren aan de “cool kids”, maar dat lukte me niet. Dat laatste in combinatie met


Mijn benen moesten dunner. Mijn benen waren te dik.
Et voilà, het complex was geboren.


“Mijn benen zijn te dik” - een gedachte die 1396 keer per dag in me opkwam


Jammer genoeg waren mijn ouders op dat moment ook nét gescheiden. Mijn mama was de strengste, mijn papa liet veel toe. Zo ging dat ook met eten. Bij mama alles heel gezond, weinig vet, veel groenten, veel water, etc. Bij papa ging het net iets anders: pizza als we dat wouden, opwarmlasagnes wanneer er geen tijd was om te koken, frietjes als we dat voorstelden, alle koekjes die mijn broer en ik maar wilden, snoepjes à volonté… Enerzijds de hemel, aangezien ik enorm graag eet, anderzijds een ware hel… Elke keer ik toekwam bij mijn mama, na een week bij mijn papa gewoond te hebben, moest ik me door een ware aanvalslinie van opmerkingen over mijn lichaam heen zien te worstelen. “Zijn je benen verdikt?!” “Wat heb je nu weer allemaal gegeten?” “Als je niet oplet word je dik he?”


Dik Dik Dik Dik Dik - het was alles dat ik kon horen.
Het complex groeide.


Getallen, getallen, en nog eens getallen


Ik moest dit aanpakken, ik moest afvallen. Want als ik zou afvallen, zou ik mooi zijn, als ik zou afvallen, zouden mensen mij zien staan, als ik zou afvallen, zouden mensen naar mij opkijken. Nu was ik een slechte versie van mijzelf. Ik was een minderwaardige persoon, want mijn benen waren dik. Mijn leven zou pas echt beginnen, wanneer mijn benen dunner werden. Als mijn dijen elkaar niet meer raakten bij het stappen, dan pas zou ik gelukkig mogen en kunnen zijn.


Ik koppelde mijn gevoel van competentie en zelfwaarde, aan mijn gewicht en de breedte van mijn bovenbenen. Meer thigh gap betekende meer discipline, meer schoonheid, meer respect voor mezelf. Minder thigh gap betekende dat ik gefaald was, betekende dat ik lui en dom was, betekende dat ik niets kon en geen wilskracht had.


Getallen namen de macht over. Calorieën hield ik nauwkeurig bij. De weegschaal was mijn beste vriend en tegelijk mijn aartsvijand. Het maatje in mijn broek bepaalde hoe goed ik was als persoon. Er waren weken dat ik geen 1000 calorieën per dag at, en 4 keer per week sportte. Er waren weken dat ik dagelijks eetbuien had en 2000, 3000, of zelfs 4000 calorieën consumeerde.


Ironisch genoeg was ik, net nu de weegschaal zo centraal stond in mijn leven, de balans volledig kwijt.


Een hoogtepunt voor mijn eetstoornis, een dieptepunt voor mijn zelfbeeld


Toen ik 17 jaar was, escaleerde het pas echt. Eetbuien, complete loss of control, en overgeven. Meer en meer werd het een gewoonte, een vaste waarde in mijn eetgedrag. Ik at dagen extreem gezond en weinig, maar dan kwam de weerslag. Eetbui na eetbui viel mijn zelfbeeld in meer stukjes uiteen. De enige manier om mijn eigenwaarde op te krikken, was de calorieën waarmee ik me zonet had volgepropt, kwijt raken. Ik gaf ze over, ik liep ze eraf… Als ze maar weg waren, weg uit mijn lichaam dat dun moest blijven, weg van mijn benen die elkaar niet meer mochten aanraken bij het stappen.


Ik viel heel veel af, maar was ongelukkiger en onzekerder dan ooit.


Mijn oplossing was: nog meer proberen afvallen, maar dat wou mijn lichaam niet. Afvallen werd steeds moeilijker, hoe weinig ik ook at. Ik kon de controle niet meer aanhouden en at een maand aan een stuk veel meer dan normaal. Ik kwam het grootste deel van de verloren kilo’s, terug bij. Mijn zelfbeeld werd nog slechter, mijn lichaamsbeeld was meer dan ooit verstoord.


Reality kicks in


In mijn achttiende levensjaar was mijn eetstoornis nog steeds heel erg aanwezig. Gelukkig groeide het besef dat, in plaats van iets kwijt te moeten raken, ik iets moest bij krijgen: liefde voor mezelf en mijn lichaam in welke staat ook.


Zo opende ik de deur naar body positivity. Mijn beeld van schoonheid, mijn beeld van het ideale lichaam, veranderde met elke foto die ik bekeek. Er was niet zoiets als één ideaal. Iedereen moest zijn eigen ideaal worden. Er was niet zoiets als hét vrouwelijk figuur. Über-slank mocht niet langer mijn doel zijn.


Hoe simpel dit ook moge lijken, het was oh zo veel gemakkelijker om mezelf te verliezen in zelfhaat, in een eetstoornis. Het was zoveel gemakkelijker te focussen op afvallen, dan om mezelf een compleet nieuwe manier van denken over, en kijken naar, mezelf aan te leren.


Maar ik zette door. Met heel erg veel vallen, en even veel keer opstaan, begon ik mijn lichaam realistischer te zien, en zelfs - hou je vast - mooi te vinden. Ik weet niet waar ik had gestaan, noch wie ik was geweest, als ik niet de vrijheid en warmte van body positivity had gevonden. Ik wikkelde deze nieuwe manier van denken als een warme deken rond me, dronk het als warme thee met honing bij een keelontsteking, nam er warme ontnuchterende douches in…


Jammer genoeg zijn er nog steeds dagen waarop ik me niets waard en te dik voel. Jammer genoeg is er soms nog een deel van mezelf dat gelooft in het “als ik gewoon een paar kilootjes afval zal ik mooier zijn en word ik gelukkiger”-dogma. Nog altijd kijk ik soms in de spiegel om mezelf vervolgens giftige commentaar te geven. Ook dit is deel van beter worden.


Van jezelf en je lichaam leren houden is niet zoals een roltrap opstappen en automatisch in één rechte lijn omhoog gaan. Allesbehalve. Het is een lange lastige bergwandeling, waaraan op het eerste zicht geen einde lijkt te komen.


Een wandeling waarbij body positivity, lieve vrienden, familie, partners… fungeren als stevige stap-schoenen, onmisbare steun voor je tocht. Een bergwandeling waarbij je zal struikelen over je eigen voeten, waarbij je zal vloeken op jezelf, waarbij je sneller zal willen gaan dan je lichaam en geest je toelaten en waarbij je duizenden bleinen en heel veel spierpijn zal oplopen. En ook al lijkt de top van de berg, je doel, aanvankelijk onvindbaar te zijn, onzichtbaar achter duizenden wolken en heel veel mist, op een dag zal je achter je om kijken en zien welke enorm lange weg je hebt afgelegd, hoe ver je bent gekomen. Op een dag zal je het topje van de berg zien, overgoten met zonlicht, en beseffen dat je stap voor stap dichterbij bent gekomen.


Mijn punt is, geef nooit op. Hervallen in je oude manier van denken gebeurt, is deel van het proces, en kan je alleen maar helpen nog sterker te worden in je nieuwe manier van denken. Aanvankelijk het gevoel hebben dat je nooit je oude manier van denken, de manier van denken die je eetstoornis je opdringt, zal kunnen loslaten, is meer dan normaal.


Weet gewoon dat het kan, en dat het zal gebeuren. Weet dat je ooit bovenaan die berg kan staan, om je vlag te planten, en daar vervolgens glimlachend te beseffen dat je jezelf graag ziet.


Veel knuffels, Mona